Lamivudine/zidovudine Viatris 150/300mg Film.tab60
Op voorschrift
Geneesmiddel

Lamivudine/zidovudine Viatris 150/300mg Film.tab60

  € 133,15

information-circle Terugbetaalbaar

Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.

Terugbetalingstarief

€ 2,00 (6% inclusief btw)

Verhoogde tegemoetkoming

€ 1,00 (6% inclusief btw)

Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.

Niet beschikbaar

Neem contact op met ons via telefoon of e-mail, dan bekijken we samen de mogelijkheden.

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik De speciale waarschuwingen en voorzorgen die relevant zijn voor lamivudine en zidovudine, zijn opgenomen in deze rubriek. Er zijn geen andere voorzorgen en waarschuwingen die relevant zijn voor de combinatie Lamivudine/Zidovudine Viatris. Het wordt aanbevolen aparte preparaten van lamivudine en zidovudine toe te dienen als aanpassing van de dosering noodzakelijk is (zie rubriek 4.2). In deze gevallen moet de arts de voorschrijfinformatie voor deze geneesmiddelen raadplegen. Concomitant gebruik van stavudine met zidovudine moet worden vermeden (zie rubriek 4.5). Opportunistische infecties Patiënten die Lamivudine/Zidovudine Viatris of een andere antiretrovirale behandeling krijgen, kunnen verder opportunistische infecties en andere complicaties van de hiv-infectie ontwikkelen. Daarom moeten de patiënten verder nauwgezet klinisch worden gevolgd door artsen die ervaring hebben met de behandeling van hiv-infectie. Hematologische bijwerkingen Anemie, neutropenie en leukopenie (gewoonlijk secundair aan neutropenie) kunnen worden verwacht bij patiënten die zidovudine krijgen. Deze zijn vaker opgetreden met hogere doseringen van zidovudine (1.200-1.500 mg/dag) en bij patiënten met een slechte beenmergreserve vóór behandeling, vooral met een gevorderde hiv-ziekte. Daarom moeten de hematologische parameters zorgvuldig worden gevolgd (zie rubriek 4.3) bij patiënten die Lamivudine/Zidovudine Viatris krijgen. Deze hematologische effecten worden gewoonlijk niet waargenomen vóór vier tot zes weken behandeling. Bij patiënten met een gevorderde symptomatische hiv-ziekte wordt doorgaans aanbevolen bloedonderzoeken uit te voeren, de eerste drie maanden minstens om de twee weken en daarna minstens om de maand. Bij patiënten met een vroege hiv-ziekte komen hematologische bijwerkingen niet frequent voor. Afhankelijk van de algemene toestand van de patiënt kunnen bloedonderzoeken minder vaak worden uitgevoerd, bijvoorbeeld om de drie maanden. Een extra aanpassing van de dosering van zidovudine kan vereist zijn als er een ernstige anemie of beenmergsuppressie optreedt tijdens behandeling met Lamivudine/Zidovudine Viatris of bij patiënten bij wie het beenmerg daarvoor al minder goed werkte, bv. hemoglobine < 9 g/dl (5,59 mmol/l) of een aantal neutrofielen < 1,0 x 10^9/l (zie rubriek 4.2). Aangezien aanpassing van de dosering van Lamivudine/Zidovudine Viatris niet mogelijk is, moeten aparte preparaten van zidovudine en lamivudine worden gebruikt. De artsen moeten de individuele voorschrijfinformatie voor deze geneesmiddelen raadplegen. Pancreatitis Er zijn zelden gevallen van pancreatitis opgetreden bij patiënten die werden behandeld met lamivudine en zidovudine. Het is evenwel niet duidelijk of deze gevallen te wijten waren aan de antiretrovirale behandeling dan wel aan de onderliggende hiv-ziekte. De behandeling met Lamivudine/Zidovudine Viatris moet onmiddellijk worden stopgezet als er klinische tekenen, symptomen of laboratoriumafwijkingen optreden die wijzen op pancreatitis. Melkzuuracidose: melkzuuracidose gaat gewoonlijk samen met hepatomegalie en leversteatose is gerapporteerd bij gebruik van nucleosideanalogen. Vroege symptomen (symptomatische hyperlactatemie) zijn goedaardige spijsverteringssymptomen (nausea, braken en buikpijn), aspecifieke malaise, minder eetlust, vermagering, respiratoire symptomen (snelle en/of diepe ademhaling) of neurologische symptomen (waaronder motorische zwakte). Melkzuuracidose kent een hoge mortaliteit en kan gepaard gaan met pancreatitis, leverfalen of nierfalen. Melkzuuracidose is doorgaans opgetreden na enkele of meerdere maanden behandeling. De behandeling met nucleosideanalogen moet worden stopgezet in geval van symptomatische hyperlactatemie en metabole/melkzuuracidose, progressieve hepatomegalie of een snelle stijging van de aminotransferasespiegels. Voorzichtigheid is geboden bij toediening van nucleosideanalogen aan een patiënt (vooral zwaarlijvige vrouwen) met hepatomegalie, hepatitis of andere bekende risicofactoren voor leverlijden en leversteatose (waaronder bepaalde geneesmiddelen en alcohol). Patiënten die een co-infectie met hepatitis C hebben en die worden behandeld met alfa-interferon en ribavirine, kunnen een speciaal risico lopen. Patiënten die een verhoogd risico lopen, moeten van dichtbij worden gevolgd. Mitochondriale disfunctie na blootstelling in utero Nucleoside- en nucleotideanalogen kunnen een wisselende invloed hebben op de functie van mitochondria; de invloed van stavudine, didanosine en zidovudine is het meest uitgesproken. Er zijn gevallen gerapporteerd van mitochondriale disfunctie bij hiv-negatieve zuigelingen die in utero en/of postnataal waren blootgesteld aan nucleosideanalogen; in verreweg de meeste van deze gevallen betrof het behandelschema's met zidovudine. De belangrijkste bijwerkingen zijn hematologische stoornissen (anemie, neutropenie) en metabole stoornissen (hyperlactatemie, hyperlipasemie). Deze bijwerkingen waren vaak van voorbijgaande aard. Er zijn in zeldzame gevallen late neurologische stoornissen gerapporteerd (hypertonie, convulsie, abnormaal gedrag). Het is nog niet bekend of dergelijke neurologische stoornissen van voorbijgaande aard of permanent zijn. Met deze bevindingen moet rekening worden gehouden bij alle kinderen die in utero werden blootgesteld aan nucleoside- en nucleotideanalogen die ernstige klinische bevindingen zonder bekende etiologie vertonen, vooral als het neurologische bevindingen betreft. Deze bevindingen doen niets af aan de huidige nationale richtlijnen om een antiretrovirale therapie te gebruiken bij zwangere vrouwen, om verticale overdracht van hiv te voorkomen. Lipodystrofie Behandeling met zidovudine is in verband gebracht met verlies van subcutaan vet, wat te wijten zou kunnen zijn aan mitochondriale toxiciteit. De incidentie en ernst van lipoatrofie zijn gerelateerd aan cumulatieve blootstelling. Dit vetverlies, dat vooral optreedt in het gezicht, de ledematen en billen, kan onomkeerbaar zijn na overschakeling op een behandelschema zonder zidovudine. Patiënten moeten regelmatig gecontroleerd worden op tekenen van lipoatrofie tijdens de behandeling met zidovudine en producten die zidovudine bevatten. Als ontwikkeling van lipoatrofie wordt vermoed, dient op een ander behandelschema te worden overgeschakeld. Gewicht en metabole parameters Gedurende antiretrovirale behandeling kan een toename optreden van het gewicht en de concentratie van lipiden en glucose in het bloed. Dergelijke veranderingen kunnen voor een deel te wijten zijn aan de ziektecontrole en de leefstijl. Voor de lipiden geldt dat er in sommige gevallen aanwijzingen zijn voor een behandelingseffect, terwijl er voor gewichtstoename geen sterke aanwijzingen zijn dat deze aan een bepaalde behandeling te wijten is. Voor de controle van bloedlipiden en -glucose wordt verwezen naar de vastgestelde hiv-behandelingsrichtlijnen. Lipidenstoornissen moeten worden behandeld zoals klinisch geïndiceerd. Syndroom van immunologische heractivering Bij hiv-positieve patiënten met een ernstige immunodeficiëntie op het ogenblik dat een antiretrovirale combinatietherapie (cART) wordt gestart, kan een ontstekingsreactie op asymptomatische of residuele opportunistische pathogenen optreden, wat ernstige klinische aandoeningen of een verergering van symptomen kan veroorzaken. Dergelijke reacties werden typisch waargenomen tijdens de eerste weken of maanden na de start van een cART. Relevante voorbeelden zijn cytomegalovirusretinitis, veralgemeende en/of focale mycobacteriële infecties en Pneumocystis jirovecii-pneumonie (vaak PCP genoemd). Eventuele inflammatoire symptomen moeten worden geëvalueerd en zo nodig moet een behandeling worden ingesteld. Optreden van auto-immuunaandoeningen (zoals de ziekte van Graves en auto-immuunhepatitis) is eveneens gemeld in de setting van immuunreactivering de gemelde tijd tot het optreden daarvan is echter variabeler en deze bijwerkingen kunnen vele maanden na het starten van de behandeling optreden. Leverziekte Als lamivudine zowel voor behandeling van hiv als voor behandeling van hepatitis B-virus (HBV) wordt gebruikt, is extra informatie over het gebruik van lamivudine bij de behandeling van hepatitis B-infectie te vinden in de desbetreffende SPK. De veiligheid en de doeltreffendheid van zidovudine zijn niet aangetoond bij patiënten met significante onderliggende leveraandoeningen. Patiënten met een chronische hepatitis B of C die worden behandeld met een antiretrovirale combinatietherapie, lopen een hoger risico op ernstige en mogelijk fatale hepatische bijwerkingen. In geval van concomitante antivirale behandeling voor hepatitis B of C, moet ook de relevante productinformatie over deze geneesmiddelen worden geraadpleegd. Als Lamivudine/Zidovudine Viatris wordt stopgezet bij patiënten die tevens geïnfecteerd zijn met het hepatitis B-virus, wordt periodieke controle van de leverfunctietests en merkers van HBV-replicatie gedurende 4 maanden aanbevolen, omdat stopzetting van lamivudine kan resulteren in een acute exacerbatie van hepatitis. Patiënten met een vooraf bestaande leverdisfunctie, waaronder chronische actieve hepatitis, ontwikkelen vaker leverfunctieafwijkingen tijdens een antiretrovirale combinatietherapie. Deze patiënten moeten conform de standaardpraktijk worden gevolgd. Als er bij dergelijke patiënten aanwijzingen zijn van verergering van het leverlijden, moet worden overwogen om de behandeling te onderbreken of stop te zetten. Co-infectie met het hepatitis C-virus Concomitant gebruik van ribavirine met zidovudine wordt niet aanbevolen gezien het hogere risico op anemie (zie rubriek 4.5). Aseptische necrose Hoewel de etiologie waarschijnlijk multifactorieel is (gebruik van corticosteroïden, alcoholconsumptie, ernstige immunodepressie, hogere body mass index), zijn er gevallen van aseptische necrose gerapporteerd vooral bij patiënten met een gevorderde hiv-ziekte en/of langdurige blootstelling aan een antiretrovirale combinatietherapie (cART). De patiënten moeten de raad krijgen om medisch advies te vragen als ze gewrichtspijn, gewrichtsstijfheid of last bij het bewegen vertonen. Lamivudine/Zidovudine Viatris mag niet worden ingenomen met geneesmiddelen die lamivudine bevatten, of geneesmiddelen die emtricitabine bevatten. De combinatie van lamivudine met cladribine wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.5). Toediening bij personen met een matig verminderde nierfunctie Patiënten met een creatinineklaring tussen 30 en 49 ml/min die Lamivudine/Zidovudine Viatris krijgen, kunnen een blootstelling aan lamivudine (AUC) ervaren die 1,6 tot 3,3 keer meer is dan patiënten met een creatinineklaring ≥ 50 ml/min. Er zijn geen veiligheidsgegevens van gerandomiseerde, gecontroleerde studies waarin Lamivudine/Zidovudine Viatris wordt vergeleken met de afzonderlijke bestanddelen bij patiënten met een creatinineklaring tussen 30 en 49 ml/min die een aangepaste dosis lamivudine kregen. In de oorspronkelijke registratiestudies met lamivudine in combinatie met zidovudine werden hogere lamivudineblootstellingen geassocieerd met hogere percentages hematologische toxiciteiten (neutropenie en anemie), hoewel stopzettingen wegens neutropenie of anemie elk bij < 1% van de proefpersonen voorkwamen. Andere lamivudinegerelateerde bijwerkingen (zoals gastro-intestinale aandoeningen en leveraandoeningen) kunnen optreden. Patiënten met een aanhoudende creatinineklaring tussen 30 en 49 ml/min die Lamivudine/Zidovudine Viatris krijgen, moeten worden gecontroleerd op lamivudinegerelateerde bijwerkingen, met name hematologische toxiciteiten. Als er nieuwe of verergerende neutropenie of anemie optreedt, is een dosisaanpassing van lamivudine vereist volgens de voorschrijfinformatie over lamivudine, maar dat kan niet worden bereikt met Lamivudine/Zidovudine Viatris. Lamivudine/Zidovudine Viatris moet worden stopgezet en de afzonderlijke bestanddelen moeten worden gebruikt om het behandelschema op te stellen. Lamivudine/Zidovudine Viatris bevat natrium Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per tablet en is dus nagenoeg 'natriumvrij'.

HIV

Welke stoffen zitten er in Lamivudine/Zidovudine Viatris?

De werkzame stoffen in Lamivudine/Zidovudine Viatris zijn lamivudine en zidovudine. Eén tablet bevat 150 mg lamivudine en 300 mg zidovudine.

De andere stoffen in Lamivudine/Zidovudine Viatris zijn:

Tabletkern: Microkristallijne cellulose (E460), watervrij colloïdaal siliciumdioxide (E551), natriumzetmeelglycolaat, magnesiumstearaat (E572).

Filmomhulling (Opadry wit 03H58736): Hypromellose (E464), titaandioxide (E171), propyleenglycol (E1520).

De volgende geneesmiddelen mogen niet worden gebruikt met Lamivudine/Zidovudine Viatris:

 andere geneesmiddelen die lamivudine bevatten, om hiv-infectie of hepatitis B- infectie te behandelen;

 emtricitabine, om hiv-infectie te behandelen;

 stavudine, om hiv-infectie te behandelen;

 ribavirine of injecties van ganciclovir om virale infecties te behandelen;

 hoge doses co-trimoxazol, een antibioticum;

 cladribine, wordt gebruikt om haarcelleukemie te behandelen.

Licht uw arts in als u met een van deze geneesmiddelen wordt behandeld.

Sommige geneesmiddelen kunnen de kans op bijwerkingen verhogen of de bijwerkingen verergeren.

Deze omvatten:

 natriumvalproaat, om epilepsie te behandelen;

 interferon, om virale infecties te behandelen;

 pyrimethamine, om malaria en andere parasitaire infecties te behandelen;

 dapson, om pneumonie te voorkomen en huidinfecties te behandelen;

 fluconazol of flucytosine, om schimmelinfecties zoals candidose te behandelen;

 pentamidine of atovaquon, om parasitaire infecties zoals Pneumocystis jirovecii- pneumonie (vaak PCP genoemd) te behandelen;

 amfotericine of co-trimoxazol, om schimmel- en bacteriële infecties te behandelen;

 probenecide, om jicht en soortgelijke aandoeningen te behandelen, en dat samen met bepaalde antibiotica wordt gegeven om ze doeltreffender te maken;

 methadon, wordt gebruikt als vervangingsmiddel voor heroïne;

 vincristine, vinblastine of doxorubicine, om kanker te behandelen.

Licht uw arts in als u een van deze geneesmiddelen inneemt.

Lamivudine/Zidovudine Viatris bevat lamivudine en zidovudine. Eventuele interacties met lamivudine en zidovudine zijn dan ook relevant voor Lamivudine/Zidovudine Viatris. In klinische studies is aangetoond dat er geen klinisch significante interacties zijn tussen lamivudine en zidovudine.

Zidovudine wordt vooral gemetaboliseerd door UGT-enzymen; gelijktijdige toediening van inductoren of remmers van UGT-enzymen kan de blootstelling aan zidovudine beïnvloeden. Lamivudine wordt door de nieren uitgescheiden. Actieve renale secretie van lamivudine in de urine wordt gemedieerd door transporters van organische kationen (OKT's); gelijktijdige toediening van lamivudine met OKT-remmers of nefrotoxische geneesmiddelen kan de blootstelling aan lamivudine verhogen.

Lamivudine en zidovudine worden niet significant gemetaboliseerd door cytochroom P450-enzymen (zoals CYP 3A4, CYP 2C9 of CYP 2D6) en evenmin remmen of induceren ze dit enzymsysteem. Daarom is er weinig kans op interacties met antiretrovirale proteaseremmers, niet-nucleosiden en andere geneesmiddelen die door belangrijke P450-enzymen worden gemetaboliseerd.

Er zijn alleen interactiestudies uitgevoerd bij volwassenen. De onderstaande lijst mag niet als volledig worden beschouwd, maar is representatief voor de onderzochte klassen.

Geneesmiddelen volgens therapeutisch domein | Interactie Geometrisch gemiddelde verandering (%) (mogelijk mechanisme) | Aanbevelingen betreffende gelijktijdige toediening
---|---|---
Antiretrovirale geneesmiddelen
Didanosine/lamivudine | Interactie niet onderzocht. | Geen aanpassing van de dosering noodzakelijk.
Didanosine /zidovudine | Interactie niet onderzocht. |
Stavudine/lamivudine | Interactie niet onderzocht. | Combinatie niet aanbevolen.
Stavudine/zidovudine | In vitro-antagonisme van anti-hiv-activiteit tussen stavudine en zidovudine zou kunnen resulteren in een lagere doeltreffendheid van beide geneesmiddelen. |
Anti-infectieuze middelen
Atovaquon/lamivudine | Interactie niet onderzocht. | Aangezien er maar beperkte gegevens zijn, is de klinische significantie niet bekend.
Atovaquon/zidovudine (750 mg tweemaal per dag met voedsel/200 mg driemaal per dag) | AUC zidovudine ↑33%, AUC atovaquon ↔ |
Claritromycine/lamivudine | Interactie niet onderzocht. | Aparte toediening van lamivudine/zidovudine en claritromycine met een interval van minstens 2 uur
Claritromycine/zidovudine (500 mg tweemaal per dag/100 mg om de 4 uur) | AUC zidovudine ↓12% |

Trimethoprim/sulfamethoxazol (cotrimoxazol)/lamivudine (160 mg/800 mg eenmaal per dag gedurende 5 dagen/300 mg één dosis) | Lamivudine: AUC ↑40% Trimethoprim: AUC ↔ Sulfamethoxazol: AUC ↔ (remming van organischekationentransporter) | Aanpassing van de dosering van lamivudine/zidovudine niet noodzakelijk tenzij patiënt nierinsufficiëntie heeft (zie rubriek 4.2). Als concomitante toediening met cotrimoxazol vereist is, moeten de patiënten klinisch worden gevolgd. Hoge doses trimethoprim/sulfamethoxazol voor de behandeling van Pneumocystis jirovecii-pneumonie (PCP) en toxoplasmose zijn niet onderzocht en moeten worden vermeden.
Trimethoprim/sulfamethoxazol (cotrimoxazol)/zidovudine | Interactie niet onderzocht. |

Antimycotica
Fluconazol/lamivudine | Interactie niet onderzocht. | Aangezien er maar beperkte gegevens zijn, is de klinische significantie niet bekend. Volg op tekenen van zidovudinetoxiciteit (zie rubriek 4.8).
Fluconazol/zidovudine (400 mg eenmaal per dag/200 mg driemaal per dag) | AUC zidovudine ↑74% (UGT-remming) |

Antimycobacteriële middelen
Rifampicine/lamivudine | Interactie niet onderzocht. | Onvoldoende gegevens om aanpassing van de dosering aan te bevelen.
Rifampicine/zidovudine (600 mg eenmaal per dag/200 mg driemaal per dag) | AUC zidovudine ↓ 48% (UGT-inductie) |

Anti-epileptica
Fenobarbital/lamivudine | Interactie niet onderzocht. | Onvoldoende gegevens om aanpassing van de dosering aan te bevelen.
Fenobarbital/zidovudine | Interactie niet onderzocht. Kans op lichte daling van de plasmaconcentraties van zidovudine via UGT-inductie |
Fenytoïne/lamivudine | Interactie niet onderzocht. | Volg de fenytoïneconcentraties.
Fenytoïne/zidovudine | AUC fenytoïne ↑ ↓ fenytoïneconcentraties. |
Valproïnezuur/lamivudine | Interactie niet onderzocht. | Aangezien er maar beperkte gegevens zijn, is de klinische significantie niet bekend. Volg op tekenen van zidovudinetoxiciteit (zie rubriek 4.8).
Valproïnezuur /zidovudine (250 mg of 500 mg driemaal per dag/100 mg driemaal per dag) | AUC zidovudine ↑80% (UGT-remming) |

Antihistaminica (H1-histaminereceptorantagonisten)
Ranitidine/lamivudine | Interactie niet onderzocht. Klinisch significante interactie onwaarschijnlijk. Ranitidine wordt slechts ten dele door het renale organischekationentransportsysteem geëlimineerd. | Geen aanpassing van de dosering noodzakelijk.
Ranitidine/zidovudine | Interactie niet onderzocht |
Cimetidine/lamivudine | Interactie niet onderzocht. Klinisch significante interactie onwaarschijnlijk. Cimetidine wordt slechts ten dele door het renale organischekationentransportsysteem geëlimineerd. | Geen aanpassing van de dosering noodzakelijk.
Cimetidine/zidovudine | Interactie niet onderzocht. |

Cytotoxica
Cladribine/lamivudine | Interactie niet onderzocht In vitro remt lamivudine de intracellulaire fosforylering van cladribine, wat leidt tot een potentieel risico op verlies van werkzaamheid van cladribine in geval van combinatie in de klinische setting. Sommige klinische bevindingen ondersteunen ook een mogelijke interactie tussen lamivudine en cladribine. | Daarom wordt concomiterend gebruik van lamivudine en cladribine niet aanbevolen (zie rubriek 4.4)

Opiaten
Methadon/lamivudine | Interactie niet onderzocht. | Gezien de beperkte hoeveelheid beschikbare gegevens is de klinische significantie niet bekend. Volg op tekenen van zidovudinetoxiciteit (zie rubriek 4.8). Aanpassing van de dosering van methadon onwaarschijnlijk bij de meeste patiënten; soms kan het nodig zijn de dosering van methadon weer aan te passen.
Methadon/zidovudine (30 tot 90 mg eenmaal per dag/200 mg om de 4 uur) | AUC zidovudine ↑43%, AUC methadon ↔ |

Uricosuricum
Probenecide/lamivudine | Interactie niet onderzocht. | Aangezien er maar beperkte gegevens zijn, is de klinische significantie niet bekend. Volg op tekenen van zidovudinetoxiciteit (zie rubriek 4.8).
Probenecide/zidovudine (500 mg viermaal per dag per 2 mg/kg driemaal per dag) | AUC zidovudine ↑106% (UGT-remming) |

Wanneer mag u Lamivudine/Zidovudine Viatris niet gebruiken?

 U bent allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6;

 U hebt een zeer laag aantal rode bloedcellen (bloedarmoede) of een zeer laag aantal witte bloedcellen (neutropenie).

Overleg met uw arts als u denkt dat een van deze punten op u van toepassing is.

4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding Zwangerschap In de regel moet, als wordt beslist om antiretrovirale middelen te gebruiken voor de behandeling van hiv-infectie bij zwangere vrouwen en dus om het risico op verticale hiv-overdracht op de pasgeborene te verlagen, rekening worden gehouden met gegevens van dieronderzoek en de klinische ervaring bij zwangere vrouwen. In het onderhavige geval is aangetoond dat gebruik van zidovudine bij zwangere vrouwen met daarna behandeling van pasgeboren zuigelingen de frequentie van overdracht van hiv van moeder op de foetus verlaagt. Een grote hoeveelheid gegevens over zwangere vrouwen die lamivudine of zidovudine hebben ingenomen, wijzen niet op malformatieve toxiciteit (meer dan 3000 zwangerschappen met blootstelling vanaf het eerste trimester, waarvan meer dan 2000 zwangerschappen met blootstelling aan lamivudine én zidovudine). Het risico op misvormingen is onwaarschijnlijk bij de mens, te oordelen naar de bovenvermelde grote hoeveelheid gegevens. De werkzame stoffen van Lamivudine/Zidovudine Viatris kunnen de cellulaire DNA-replicatie remmen en in één dieronderzoek is aangetoond dat zidovudine een transplacentair carcinogeen is (zie rubriek 5.3). De klinische relevantie van deze bevindingen is niet bekend. Bij patiënten die tevens geïnfecteerd zijn met een hepatitisvirus en die worden behandeld met geneesmiddelen die lamivudine bevatten, zoals lamivudine/zidovudine, en die daarna zwanger worden, moet rekening worden gehouden met de kans op recidief van de hepatitis bij stopzetting van lamivudine. Mitochondriale disfunctie: nucleoside- en nucleotideanalogen veroorzaken in vitro en in vivo een wisselende mate van beschadiging van mitochondria. Er zijn gevallen gerapporteerd van mitochondriale disfunctie bij hiv-negatieve zuigelingen die in utero en/of postnataal waren blootgesteld aan nucleosideanalogen (zie rubriek 4.4). Borstvoeding Zowel lamivudine als zidovudine wordt in de moedermelk uitgescheiden in soortgelijke concentraties als in het serum. Gebaseerd op meer dan 200 moeder-kindparen die behandeld werden voor hiv, zijn de serumconcentraties van lamivudine bij zuigelingen die borstvoeding krijgen van moeders die voor hiv worden behandeld zeer laag (<4% van de serumconcentraties bij de moeder) en die concentraties dalen geleidelijk tot niet-detecteerbare waarden als de zuigelingen die borstvoeding krijgen 24 weken oud zijn. Er zijn geen gegevens beschikbaar over de veiligheid van lamivudine als het wordt toegediend aan baby's van minder dan drie maanden oud. Na toediening van een enkele dosis van 200 mg zidovudine aan hiv-geïnfecteerde vrouwen, was de gemiddelde concentratie van zidovudine in de moedermelk vergelijkbaar met die in het serum. Het wordt geadviseerd dat vrouwen met hiv hun baby's geen borstvoeding geven om overdracht van hiv te voorkomen. Vruchtbaarheid Noch zidovudine noch lamivudine verstoort de vruchtbaarheid in studies bij mannelijke en vrouwelijke ratten. Er zijn geen gegevens over hun effect op de vruchtbaarheid van vrouwen. Bij mannen heeft zidovudine geen effect op het aantal, de vorm en de beweeglijkheid van de spermatozoa.

Volwassenen en adolescenten > 30 kg

  • 1 tablet tweemaal per dag

Kinderen die 21 kg tot 30 kg wegen

  • 1/2 tablet 's morgens en 1 tablet 's avond

Kinderen die 14 kg tot 21 kg wegen

  • 1/2 tablet tweemaal per dag

Toedieningswijze

  • Met of zonder voedsel
  • De tablet(ten) idealiter worden ingeslikt zonder ze te pletten
  • Voor patiënten die niet in staat zijn om tabletten in te slikken, kunnen ze worden geplet en in een kleine hoeveelheid halfvloeibaar voedsel of vloeistof worden gedaan, die dan onmiddellijk moet worden ingenomen
CNK 3012168
Organisaties Viatris
Merken Viatris
Breedte 46 mm
Lengte 102 mm
Diepte 59 mm
Hoeveelheid verpakking 60
Actieve ingrediënten lamivudine, zidovudine
Behoud Kamertemperatuur (15°C - 25°C)